Over Ramiz Rövşən en zijn poëzie: Jezus aan het kruis - Çarmıxdakı İsa
- 5 days ago
- 4 min read

Ramiz Rövşən (ook geschreven als Ramiz Rovshan) is een van de meest geliefde en invloedrijke dichters uit Azerbeidzjan. Zijn werk wordt gekenmerkt door een diepe existentiële gevoeligheid, eenvoud van taal en een universele zoektocht naar zin, lijden en het menselijk bestaan. Hoewel hij voortkomt uit een andere religieuze en culturele traditie dan het christendom, weet hij in zijn poëzie “Çarmıxdakı İsa” (Jezus aan het Kruis) thema’s te raken die opvallend dicht liggen bij de kern van de christelijke theologie.
In het gedicht “Çarmıxdakı İsa” ontvouwt zich een indringend gesprek tussen Jezus en God, zijn Vader. Het is geen afstandelijke beschrijving van lijden, maar een directe, bijna intieme dialoog vanuit het kruis zelf. De stem die spreekt, richt zich tot God in een mengeling van pijn, verlangen en overgave. Wat Ramiz Rövşən hier verwoordt, raakt aan een kernmotief van de christelijke theologie: het dragen van zonde als een offer. Het lijden wordt niet alleen ervaren als lichamelijke pijn, maar als een existentieel dragen van de last van de wereld—een offer dat tegelijkertijd persoonlijk en kosmisch is.
Juist hierin resoneert zijn poëzie met de christelijke traditie. Thema’s als lijden, verlossing en de roep tot God in verlatenheid vormen een kern in de christelijke theologie, maar vinden ook weerklank in andere religieuze tradities. In het bijzonder raakt Rövşən aan het motief van het dragen van zonde en lijden als offer.
Hij verwoordt deze thema’s niet dogmatisch, maar existentieel en menselijk. Zijn woorden doen denken aan de roep van Christus aan het kruis, maar ook aan de bredere bijbelse traditie van klacht en hoop, zoals die klinkt in de Psalmen. Tegelijkertijd opent hij een verrassend perspectief: niet alleen de mens lijdt en roept tot God, maar God zelf verschijnt als de gewonde—als Degene die het lijden deelt en draagt. Dit doet denken aan het concept van de wounded healer, zoals theologisch uitgewerkt door Henri Nouwen, waarin juist de gewonde zelf degene wordt die kan helen—niet ondanks, maar door zijn eigen wonden. Het gedicht krijgt zijn diepste theologische intensiteit in de slotzin, waar de ziel rust vindt in Gods handen, maar deze handen gewond blijken te zijn. Hier wordt een mysterie aangeraakt: alsof God zelf het lijden ondergaat, of er onlosmakelijk deel van uitmaakt.
Het bijzondere aan Ramiz Rövşən is dat hij, zonder expliciet binnen de christelijke traditie te schrijven, toch een taal vindt die deze traditie diep raakt en zelfs verrijkt. Voor mij persoonlijk is hij daarom niet alleen een grote Azerbeidzjaanse dichter, maar ook een stem die bruggen slaat tussen werelden—tussen Oost en West, tussen verschillende religieuze culturen en tradities.
Jezus aan het kruis
Ik ben uw zoon op deze aarde,
met mijn verlangen heb ik zo vaak
naar de hemel gekeken, o God.
Eindelijk, zo lijkt het, heb ik bereikt wat ik zocht—
mijn voeten hebben de aarde losgelaten.
Nu hang ik tussen aarde en hemel,
vastgenageld aan het kruis.
Mijn handen, mijn voeten—doorboord,
ik ben mijn eigen kist geworden.
Mijn ziel kruipt door mij heen als een mier,
het licht van vandaag bijt en brandt.
Vrouwen kijken—half afgewend,
maar hun ogen glijden langs mij omlaag.
Als wat men dood noemt de laatste slaap is,
en als ik slaap—
dan doet mijn droom pijn.
Het is mijn lichaam dat hier hangt aan het kruis,
maar waarom, o God,
doet mijn ziel zo’n pijn?
Deze pijn strekt zich uit als een touw,
bindt mijn ziel aan mijn lichaam.
Mijn ziel kan zich niet losmaken,
kan niet naar U opstijgen, o God.
Is deze pijn
de marteling van mijn vlees?
Of een haak, geslagen in mijn ziel?
Is deze pijn
de laatste smaak van de wereld?
Of mijn laatste zonde?
Nee, deze last kan ik niet meer dragen,
geef mij de kracht om te ontsnappen aan dit kruis.
Geef mij de kracht om los te komen van deze pijn,
om als een vogel naar U te vliegen.
Mijn vrienden vegen stil hun tranen weg,
zij zullen wachten tot de nacht valt.
Misschien halen ze mij vannacht van het kruis
en verbergen ze mij ergens.
Maar waar?
Waarom?
Voor wie zou ik mij verbergen?
Hoe kan ik mij verbergen
voor mijn eigen lot?
Zelfs als ik mijn gezicht honderd keer bedek,
ik kan mijzelf nooit verbergen—
want iedereen zal mij herkennen
aan de donkere gaten in mijn handen.
Ik kan niet zo leven en sterven—
niet door ziekte,
niet door verval,
niet door ouderdom.
Nee, ik kan niet afdalen van dit kruis,
ik kan niet afdalen van deze hoogte.
Maar ik kan het niet meer verdragen—
neem dan mijn leven,
of neem deze pijn van mij weg, o God.
Denk aan mij—denk aan mij—
herinner U mij—
of bent U uw zoon vergeten, o God?
…Plotseling zonk de zon weg, de wereld werd donker,
en toen—ineens zag ik U.
Uw handen namen mijn ziel van het kruis,
en ik legde mijn ziel in Uw handen.
Ik zag—
in de duisternis
waren Uw handen als de maan, als de zon.
Ik zag—
mijn ziel lag in Uw hand
als een vogel die naar U toe vloog.
Nu is mijn ziel vrij van dit kruis,
nu doet ook mijn lichaam geen pijn meer, o God.
Zie hoe rustig mijn ziel rust in Uw hand—
maar waarom…
waarom drupt er bloed uit Uw handen, o God?..
(maar waarom zijn Uw handen gewond, o God?..)
note: Vertaling van het gedicht: Samuel Lee, met behulp van AI.
.jpg)

